Pagina-artikel

Deze gedigitaliseerde versie is gemaakt van een origineel tijdschrift. Het is dus bijna 39 jaar gearchiveerd en vertoont ook al enkele afwijkingen door veroudering. 

Opmerking: In 1984 was de druktechniek en het drukpapier kwalitatief nog niet zo perfect als vandaag. Hierdoor zal je in deze gedigitaliseerde versie verstoringen zien die tegenwoordig niet meer voorkomen. Ook het afdrukken van foto’s was in  die tijd maar zeer rudimentair. 

In 1964 verzonken de Europese afzetmarkten in een diepe crisis. Privéaandeelhouders  trokken zich langzaam terug uit deze bedreigde sector. De staat nam een tijdlang  de last voor verdere uitbating van de mijnen op zich. Maar de zware subsidies dwongen de Belgische staat te saneren. In  dec 1965 kondigden ze de sluiting van 5 Waalse mijnen aan. Maar ook de sanering van de Limburgse mijnen werd aangekondigd. De eerste Limburgse mijn van Zwartberg moest vanaf 1 december 1966 dicht. Dit lokte dramatische protesten uit, waarbij 2 mijnwerkers het leven lieten

Maar Zwartberg ging toch dicht en de mijn van Eisden was de volgende. Dit leiden op 21 oct 1970 tot een protestbetoging met 20.000 man in Maasmechelen.

Betoging tegen de sluiting van de mijn van Eisden 21 oct 1970

Door de onzekerheid voor de energiebevoorrading als gevolg van de Olie crisis (herinner u de autoloze zondagen)  heeft het nog tot 8 dec 1987 geduurd toen de uitbating van de mijn in Eisden definitief stopte.

Mie Mercken enige inwoonster van Eisden op de linker oever Zuid-Willemsvaart

In augustus 1901 haalde de Leuvense geoloog André Dumont, na vele proefboringen in de omgeving, in As de eerste Limburgse steenkool boven. Het waren vette kolen en daar had de Belgische industrie nood aan. Ook in Eisden verschenen er in 1907 boortorens. Vooral op de westelijke oever van de Zuid-Willemsvaart in Eisden. Er leefde toen aan die kant van het kanaal slechts één inwoonster. Dat was Mie Mercken die er in een  kleine kelderhut woonde. De onvruchtbare zanderige heidegrond was niet rendabel voor de landbouw. In tegenstelling tot de vruchtbare gronden langs de Maas was er hier dus ook weinig animo om er te wonen.

Bouw burelen en boortoren nr76 langs de Zuid-Willemsvaart

Tussen 1907 en 1913 veranderde situatie compleet. De oude burelen werden dicht aan het kanaal in de buurt van de boortoren 76 gebouwd. Maar de bodemgesteldheid bij die boortoren bleek ongeschikt zodat de eigenlijke bouw van de kolenmijn ca 1km meer naar het Noorden werd verschoven. Daar verschenen dan ook de afdieptorens en ook de bouw van het eerste gedeelte van de arbeiders woonwijk was toen al gestart. Maar door de eerste 1ste wereldoorlog zou het nog tot 1922 duren voor de eerste steenkolen werden naar boven gehaald. Vanaf 1923 werd de eerste steenkolen van Charbonnage Limbourg-Meuse in Eisden geëxporteerd.

Van 1923 tot 1950 werd steenkool gewonnen tussen 500 en 600 meter diepte en van 1950 tot 1965 tussen 600 en 700 meter diepte. Vanaf het begin van de zeventiger jaren is men steenkool gaan ontginnen beneden 780 meter. Met “afgaande steengangen” is men naar de dieper gelegen lagen gegaan om deze te ontginnen. In 1955 werd een maximale tewerkstelling bereikt van 7340 mijnwerkers. De totale productie bedroeg 73.191.000 ton. 1957 was het topjaar met een productie van 1.883.420 ton.

22-01-88 laatste steenkool

De mijn werd gesloten op 18/12/1987. Toen werden de laatste kolen op meer dan 780 m diepte in pijler 0789 naar boven gebracht via de grote schachttorens. Overigens als een van de weinige kolenmijnen waren de schachttorens van Eisden in beton uitgevoerd. Deze schachttorens zijn als herdenking blijven staan. De linker toren is nog origineel de rechter toren is heropgebouwd.

Tijdens de meer dan 60 jaar zijn er 289 slachtoffers te betreuren geweest. Het laatste grote ongeval gebeurde 3 jaar voor de sluiting van de mijn op 8 maart 1984. Er vielen toen 7 dodelijke slachtoffers in een pijler op een diepte van 700m door een grauwvuur ontploffing.

Galerie Mijnverleden

Deze beschrijving is van G.H. Dexters, gewezen onderwijzer in Eisden. Het verhaal begint in het Mesolithicum, dat is de overgang van rondtrekkende jagers-verzamelaars naar het begin van veeteelt en landbouw (ca 10.000 – 7500 vC) tot 1830 toen  Belgïe onafhankelijk werd van Nederland.

Eisden is één van de oudere nederzettingen uit het Maasland. De oudste bewoningssporen dateren uit het Mesolithicum. Vanaf dit ogenblik was er reeds een continue bewoning waaruit zich stilaan de dorpskern van het oude Eisden, Eisden-dorp, ontwikkelde.
Op meerdere plaatsen in het dorp werden overblijfselen van Romeinse villa’s teruggevonden. Er heeft veel inkt gevloeid over de vraag of Eisden mag geïdentificeerd worden met de Romeinse statio Feresne die op de Peutingerkaart wordt aangeduid. Op dit ogenblik opteert men eerder voor het nabije Mulhem, dat aan de basis ligt van de Eisdense Sint Willibrordus- parochie en nog lange tijd parochiaal afhankelijk bleef van Eisden.
Plaatsnamen als “Berensheuvel” en “Couwenberg” herinneren aan de Franken die vanaf het begin van de 4e eeuw onze gewesten kwamen bevolken.
Tijdens de 10e eeuw behoorde Eisden tot het gebied van de heren van Kessenich om dan via schenkingen in handen te komen van de abdissen van het vorstendom Thorn dat rechtstreeks afhankelijk was van de Duitse Keizer.
In de 16e eeuw werd Eisden verkocht aan Balthasar van Vlodropp, heer van Leut. Nauwelijks was de heerlijkheid Eisden overgegaan van de kromstaf naar het wereldlijk gezag of de woelige tijden begonnen pas goed. De heren van Leut kozen partij voor de prins van Oranje, Willem de Zwijger. Willem’s rijk was echter van korte duur en de Spaanse bezettingstroepen zogen de lokale bevolking letterlijk uit.
De machtstrijd over Eisden zou nog lang blijven aanslepen: in de 17e eeuw kreeg Eisden niet alleen Franse soldaten maar ook Croatische, Poolse en Beierse troepen over de vloer: het waren de hoogtijdagen van de Tachtigjarige oorlog!
In de loop van de 18e en 19e eeuw kwamen Fransen en Nederlanders op bezoek… Pas met de onafhankelijkheidsverklaring van België in 1830 zou de rust enigszins terugkeren!

Achtergrond-informatie: G.H. Dexters, De Heerlijkheid Eisden. Een brok geschiedenis, Eisden, 1936.

In  dit verleden van Eisden wordt specifiek ingezoomd op de herkomst van de naam Eisden. Dit verhaal begint in het jaar 1234 en eindigt in 1971 bij de gemeenten fusie van Maasmechelen. De auteur van deze tekst is Jan Kohlbacher. 

Het dorp Eisden werd in onze tijdrekening een eerste maal in op 13 juli 1234 als “Eskede” vermeld. Over de oorsprong van deze plaatsnaam verschilden de geschiedkundigen in Belgisch- en Nederlands Limburg nogal eens van mening. Van de “Es “of “Esschen” voor “bouwland in gemeenschappelijk bezit” als voor de boomnaam, geraakte men het in het algemeen wel eens. Zoals het ook voor andere plaatsnamen gebeurde wijzigde ook deze dorpsnaam in de loop der tijd in de geschreven documenten. 

Data van documenten met plaatsnaam

Plaatsnaam

1244, 1299 en 1304

Esde

1282

Hesde

1303, 1354 en 1503

Esden

1510

Eesden

Daarna

Eysden en uiteindelijk Eisden

De eerste, gekende Heer van Eisden was Ansfried van Kessenich die in de tiende eeuw als wapendrager van keizer Otto 1 en andere adellijke familiale banden veel goederen rijker werd. Hij werd van 995 tot 1010 zelfs bisschop van Utrecht. Zijn vrouw Hereswith stichtte in 992 in haar goed in Thorn waar zij met haar dochter Benedicta “onder de regel van de heilige gehoorzaamheid ”gingen leven. Dit was ook het begin van het Rijksstift Thorn dat tevens een vorstendom werd.  De abdis was vorstin van Thorn, Ittervoort, Grathem, Baexem en Stamproy en landvrouw van Eisden, Ubach en Neeroeteren. Zij stelde haar eigen voogden aan die de dorpen en goederen beheerden en de tienden, de oudere vorm van belastingen, moesten innen. Later geraakte dit voogdijschap in handen van de heren Van Leut. Zij werden leenmannen van de abdij van Thorn. Verschillende goederen in Eisden zorgden zo voor het inkomen van de herten en de abdissen. In 1553 verkochten de abdissen van Thorn hun Eisdense goederen aan de heer van Leut.

In de loop van de verschillende tijdvakken met hun oorlogen en omwentelingen bleef Eisden het landbouwers dorp dat zijn deel kreeg in plunderingen en belastingen van en aan doortrekkende legers en hun leiders.

Met Leut en Meeswijk behoorde Eisden tot de Rijksheerlijkheid Leut met vier eeuwen de heren van Vlodorp als kasteelheren. Later verkochten zij hun goederen en rechte aan Willem van Meewen.

Na de Franse Revolutie in 1792 breidden de Fransen hun rijk uit. De hervormingen troffen zowel de adel als de kerkelijke instellingen. De burgerlijke staatsvorm maakte van Eisden een zelfstandige gemeente van het kanton Mechelen-aan-de-Maas in het departement van de Nedermaas met Maastricht als hoofdstad. Twee nog herkenbare sporen lieten de Fransen hier achter: Zij legden de oorsprong van huidige Rijksweg en de Zuid-Willemsvaart aan.

Nadat Napoleon in 1815 definitief zijn macht verloren werden de Nederlanden door koning Willem I geregeerd. Eisden zag de naam van het uitgediepte en verbrede kanaal veranderen in de Zuid-Willemsvaart.

En in 1830 werd Eisden dan ook een Belgische gemeente. Die 80 jaar later door de kolenmijn in het industriële tijdperk terechtkwam. En van een gemeente met 560 inwoners uitgroeide tot de grootste gemeente van het Maasland. Om in 1971 op te gaan in de fusiegemeente Maasmechelen.

 

Na de sluiting van de Eisdense mijn bestond er een voorstel om de voornaamste mijngebouwen te beschermen. Hun uitgesproken architectuur vormde immers een unicum in het Limburgse mijnpatrimonium.
Uiteindelijk kwamen, in functie van de beschikbare restauratiegelden, slechts drie gebouwen in aanmerking: de oude magazijnen, schachtbok II en het indrukwekkende hoofdgebouw. In een latere fase werden de tekenburelen en de gevel van de badzaal nog erkend als beschermd monument.
Bij de restauratiewerken van de beschermde schachtbok II dreigden de kosten zodanig uit de hand te lopen dat hij vervangen werd door een copie in prefab elementen…
Lokale mijnwerkers gaven dan te kennen dat ze de originele schachtbok I, de Koninginneschacht wilden aankopen en behouden. Uiteindelijk werd dan toch een beschermingsprocedure ingezet en kocht het gemeentebestuur de schachtbok aan.
Op de oostgrens, waar de sociale burelen, infermerie en electrische centrale stonden, is een nieuw shoppingcenter uitgebouwd: “Maasmechelen Village”
De hoofdburelen krijgen in de toekomst een herbestemming als hotel- en horecacentrum. Achter de beschermde gevel van de badzaal werd een bioscoopcomplex uitgebouwd.
De Eisdense mijnsite kreeg een herbestemming als Leisure Valley, een groot vrijetijdspark…

Achtergrond – informatie: Bert Van Doorslaer, Koolputterserfgoed. Een bovengrondse toekomst voor een ondergronds verleden, Provincie Limburg, 2002.